|
|
 |
Jeu de boules of pétanque: volkssport nr. 1
|
|
|
Het lijkt voor ons een simpel spelletje, maar voor de Fransen is het volkssport nummer 1: jeu de boules. Op zijn Frans: pétanque. Doe mee!
De bedoeling is eenvoudig: men gooie een klein houten balletje, de buut, zes tot tien meter van het beginpunt vandaan. Daarna probeert een ieder stalen ballen zo dicht mogelijk bij dat balletje te gooien. De stalen ballen hebben een doorsnee van 71 tot 80 millimeter en een gewicht van zeven tot acht ons.
| |
| Lastig: een aantal ballen tussen speler en buut. |
Er zijn een paar manieren om dat te bereiken, onder meer afhankelijk van de terreingesteldheid en de plek waar de ballen van de tegenstander liggen. De eenvoudigste is gewoon rollen.
Een andere mogelijkheid is schieten (in het Frans tirer, een woord dat wel verhollandst wordt tot tireren). Hierbij houdt men de bal onder de hand geklemd om die met een hoge boog zo precies mogelijk te plaatsen. Een beetje backspin maakt dat de bal niet te ver door rolt. Men kan ook proberen op een bal van de tegenstander te schieten, als die te dicht bij de buut ligt.

Men speelt één tegen één (tête à tête), tweetal tegen tweetal of drietal tegen drietal. In het laatste getal speelt elke speler met twee ballen, anders met drie ballen. Het beginpunt wordt aangegeven met een cirkel, waarbinnen de spelende speler staat.
De eerste gooit de buut en dan de eerste bal. Dan poogt de tegenpartij dichterbij de buut te komen. Lukt dit niet, dan blijft deze partij aan de beurt tot het gelukt is of alle ballen op zijn. Komt de tegenpartij dichterbij, dan is de eerste partij weer aan de beurt tot die dichter bij ligt. Als een ploeg door zijn ballen heen is, mag de andere partij zijn resterende ballen nog gooien.
Alle ballen van de winnende partij die dichter bij de buut liggen dan de dichtstbijzijnde van de tegenstander, tellen voor een punt. Er wordt net zo lang gespeeld tot een partij dertien punten heeft.
Dat duurt soms meer dan twee uur. In een tournooi met meerdere rondes betekent dat dat soms geruime tijd gewacht moet worden tot alle wedstrijden gespeeld zijn. Een beetje Fransman heeft dar geen enkel probleem mee. Die pakt gewoon een glaasje pastis of rode wijn en gaat lekker zitten kijken.
Tot slot: petanquemusea zijn te vinden in Saint-Bonnet-le-Chateau (ten westen van Lyon), waar Jean Blanc in 1927 uitvond hoe je holle stalen ballen kon maken, en Vallauris (bij Cannes). In Aiguines in de Gorges du Verdon (Alpen) is het Musée des Tourneurs gewijd aan antieke, gepotnagelde pétanqueballen.
|
Links
Bron: http://www.hurktoilet.nl
|
|